CURSUS LANDBOUWTREKKERS

HOOFDSTUK XXV — RUPSTREKKERS

 

Om het vrije asgedeelte onder het huis wordt de later te bespreken diagonaalstang bevestigd. Ook zijn de diverse lageringen en oliekeerringen zichtbaar.

 

Stuurinrichting, onderdelen en afstelling (Afb. A 120)

 

In fig. 1 zijn de stuurkoppelingsonderdelen achter elkaar opgesteld. Eerst de remband met knevel, die om de daarop volgende remschijf past. De remschijf met binnenvertanding past over de platengroep waarvan de platen om de andere zijn voorzien van tanden aan de buitenomtrek. De daartussen gelegen platen hebben inwendige vertanding en deze worden vastgehouden door de opstaande flens met naaf waarop tanden zijn aangebracht.

De bundel platen wordt bij elkaar gehouden door een drukring, welke met een vork verschuifbaar is, waardoor het ontkoppelen wordt mogelijk gemaakt. Tussen de beide koppelingen in bevindt zich het kroonwiel. Rechts van het kroonwiel bevindt zich het andere stel koppelingsplaten. Hiervan zijn de drukveren goed zichtbaar.

De afstelling van de stuurkoppelingen komt over het algemeen op hetzelfde neer.

De afstelling van de twee besproken stuurkoppelingen zal behandeld worden. In fig. 3 is de afstellingsmogelijkheid van de Fiat afgebeeld. Na verwijderen van het deksel (1) kan men bij de afstelling komen. De afstelling bestaat uit een draadeind met daarop twee borgmoeren (2 en 5) waartussen een nokstuk (zie ook fig. 4). Aan het nokstuk (4) is een schuin oplopende nok bevestigd (7). Tegen de schuine nok loopt een rol (6). Deze is d.m.v. een stangenstelsel verbonden met de stuurhefboom. Om enige speling te krijgen in de stuurhefboom, wat nodig is om zeker te zijn dat de koppeling in neutrale stand geheel is gekoppeld en om zo geleidelijk mogelijk te kunnen ontkoppelen is de nok (7) te verstellen. Bij het afstellen gaat men uit van stand 1 in fig. 6. Nu moet, wanneer de nok tegen de rol rust, de contramoer (2) 3 mm van het nokstuk (4) afgedraaid worden (zie ook fig. 4). Daarna wordt met contramoer 5 het nokstuk tegen contramoer 2 aangedraaid en de speling tussen nok en rol komt dan overeen met een vrije slag van 120 m/m van de stuurhandel (A in fig. 6).

Bij de Caterpillar is een afstelmogelijkheid aan de ontkoppelvork aangebracht (fig. 5, ook in fig. 2, afb. A 119). Hiermee wordt weer de vrije slag van de stuurhandels ingesteld naar de fabrieksgegevens.

 

b. Differentieel besturing (A 121)

 

Bij een enkel merk rupstrekker treft men de differentieelstuurinrichting aan; dit is o.a. het geval bij de Cletrac.

Vanaf de versnellingsbak wordt de kracht van de motor op een pignon overgebracht dat in een kroonwiel grijpt (zie fig. 1).

Aan weerszijden van dit kroonwiel is een remtrommel aangebracht, terwijl zich hiertussen een differentieel met rechte tandwielen bevindt. De werking hiervan verschilt enigszins van de werking van een differentieel van een wieltractor, omdat daar de rondselas of de wielas afgeremd wordt.

De werking van het differentieel van de Cletrac is in fig. 2 aangegeven. Zoals bekend wordt het kroonwiel 7 door het pignon aangedreven. Door het kroonwiel loopt de linkeras waarop een tandwiel 9 is aangebracht.

 

 

 

Blad 220 — Zie hierbij Afb. A 119, A 120, A 121

 

Blad 219           Blad 221

Inhoudsopgave

 





Copyright © Gerard Hoogendoorn 2000-2010